Himalaya jeneverbes

← Terug naar Bomen
Himalaya jeneverbes
B095 · Conifeer

Juniperus squamata

Belangrijkste tip

Houd de boom altijd buiten en laat op iedere levende tak voldoende gezond loof staan. Combineer geen zware wortelsnoei, taksnoei en loofreductie in dezelfde herstelperiode.

Oorspronkelijke herkomst

Juniperus squamata komt van nature voor in berggebieden van Noord-Afghanistan via de Himalaya tot China en Taiwan. De soort groeit daar als lage struik, brede struik of kleine boom.

Eigenschappen

De Himalaya jeneverbes is een wintergroene conifeer met scherp, naaldachtig loof in kransen van drie. Het loof is vaak grijs- tot blauwgroen en heeft een opvallende lichte huidmondjesband. De groeiwijze varieert van kruipend tot opgaand. De bast kan op oudere delen schilferig en karaktervol worden.

Voor- en nadelen als bonsai

Voordelen zijn het compacte, vaak blauwgroene loof, de goede reactie op bedrading en de mogelijkheid om jin en shari te maken. Nadelen zijn de scherpe naalden, de trage reactie op fouten en het risico op taksterfte wanneer te veel loof of wortels tegelijk worden verwijderd.

Standplaats als bonsai

Zet deze bonsai het hele jaar buiten in volle zon of zeer veel licht, met goede luchtcirculatie. Bescherm de wortelkluit tegen langdurige strenge vorst en voorkom een voortdurend nat substraat. Een jeneverbes is niet geschikt als kamerbonsai.

Groei

Groeit meestal rustig tot matig en vooral in het voorjaar en de vroege zomer. Sterke uiteinden kunnen de binnenste groei overheersen. Werk geleidelijk en laat zwakke takken eerst kracht opbouwen.

Geschikte stijlvormen

Geschikte stijlvormen zijn informeel rechtop, hellend, winderig, literati, cascade, halfcascade en deadwood-stijlen.

Vormsnoei

Voer zware vormsnoei bij voorkeur uit van de late zomer tot het vroege voorjaar. Laat op iedere levende tak voldoende gezond loof staan en vermijd een zware loofreductie tijdens of kort na het verpotten.

Onderhoudssnoei

Knip uitstekende scheuten terug tot een zijtakje met gezond loof. Scheer de kroon niet als een heg en snoei niet terug tot kaal oud hout zonder zichtbaar groen.

Fijnsnoei

Dun groeipunten en te dichte twijgen selectief met een scherpe schaar uit. Houd licht en lucht in de loofkussens en trek of knijp geen grote hoeveelheden jong loof weg.

Bladsnoei / ontbladeren

Pas geen ontbladering toe. Verwijder alleen oud, bruin, beschadigd of duidelijk verzwakt loof.

Wortelsnoei

Voer een matige wortelsnoei vroeg in het voorjaar uit, vlak voordat de groei hervat. Behoud voldoende fijne wortels en combineer dit niet met zware snoei van takken en loof.

Knopbeheer

Verdeel de groeikracht door te dichte groeipunten selectief uit te dunnen. Behoud binnenste en zwakkere groei die nodig is voor toekomstige vertakking.

Bloei- en vruchtbeheer

De besachtige zaadkegels zijn meestal geen hoofddoel. Verwijder een overmatige kegelzetting wanneer die een kleine, jonge of verzwakte boom te zwaar belast.

Bedraden

Bedraad bij voorkeur van de late zomer tot het vroege voorjaar. Buig oudere takken geleidelijk, bescherm de bast op zware buigpunten en controleer regelmatig op insnoeren.

Bemesten

Bemest van het voorjaar tot de vroege herfst regelmatig en matig. Gebruik in de opbouwfase meer voeding dan in de verfijningsfase. Vermijd een sterke stikstofgift laat in het seizoen en bemest niet direct na wortelsnoei.

Watergifte

Geef grondig water zodra de bovenlaag van het substraat licht is opgedroogd. Laat de kluit niet volledig uitdrogen, maar voorkom dat zij voortdurend nat blijft. Zorg voor snelle drainage.

Substraat

Gebruik een luchtig, korrelig en goed drainerend substraat, bijvoorbeeld akadama met puimsteen, lava of kiryu. Het mengsel moet voldoende vocht vasthouden zonder langdurig zuurstofarm te worden.

Verpotten

Verpot in het vroege voorjaar, vlak voordat de groei duidelijk hervat. Jonge bomen worden vaker verpot dan oude, verfijnde bonsai. Kort de wortels geleidelijk in en verpot alleen wanneer de wortelkluit of het substraat daar aanleiding toe geeft.

Ziekten en problemen

Mogelijke problemen zijn spint, bladluis, jeneverbesschildluis, schimmelaantastingen, wortelrot en verkleuring door droogte, zoutschade of een te nat substraat. Slechte luchtcirculatie verhoogt het risico op problemen.