Westelijke hemlockspar

← Terug naar Bomen
Westelijke hemlockspar
B069 · Conifeer

Tsuga heterophylla

Belangrijkste tip

Laat de conditie en groeifase van de boom zwaarder wegen dan een vaste kalender. Voer nooit meerdere zware ingrepen tegelijk uit.

Oorspronkelijke herkomst

Westelijk Noord-Amerika, van Alaska/Brits-Columbia tot Californië.

Eigenschappen

De Westelijke hemlockspar heet botanisch Tsuga heterophylla. De naam is wat misleidend: het is geen echte spar zoals Picea, maar een Tsuga uit de dennenfamilie. Het is een groenblijvende naaldboom met een zachte, wat sierlijke uitstraling.

Voor- en nadelen als bonsai

Voordelen zijn de karaktervolle groei, het jaarronde of seizoensgebonden silhouet en de goede vormbaarheid met bedrading. Nadelen zijn de trage reactie op zware ingrepen en de noodzaak om soortspecifiek met knoppen, kaarsen en wortels om te gaan.

Standplaats als bonsai

Zet deze bonsai het hele jaar buiten in lichte halfschaduw, met goede luchtcirculatie. Bescherm de schaal tegen langdurige strenge vorst en voorkom dat het substraat lange tijd doorweekt blijft.

Groei

Groei is meestal trager en seizoensgebonden. Werk geleidelijk; coniferen reageren slecht op te veel ingrepen tegelijk.

Geschikte stijlvormen

Geschikte stijlvormen zijn formeel rechtop, informeel rechtop, hellend, literati, winderig, groep/forest en bij geschikte soorten cascade of deadwood-stijl.

Vormsnoei

Voer zware vormsnoei bij voorkeur uit in de rustperiode of aan het einde van de zomer, afhankelijk van de soort. Laat voldoende gezond loof op iedere behouden tak staan.

Onderhoudssnoei

Knip uitstekende scheuten selectief terug en houd licht en lucht in de kroon. Verwijder niet in één keer grote hoeveelheden loof.

Fijnsnoei

Dun jonge groei selectief uit om korte scheuten en fijne vertakking te bevorderen. Pas de techniek aan de soort aan en spaar zwakke takken.

Bladsnoei / ontbladeren

Pas geen volledige ontbladering toe. Verwijder alleen oud, beschadigd of te dicht geplaatst loof.

Wortelsnoei

Voer een matige wortelsnoei vroeg in het voorjaar uit, vlak voordat de groei hervat. Combineer dit niet met zware bovengrondse ingrepen.

Knopbeheer

Dun overtollige knoppen of groeipunten uit en verdeel de groeikracht over sterke en zwakke delen van de kroon.

Bloei- en vruchtbeheer

Bloemen en kegels zijn meestal ondergeschikt aan de vorm. Verwijder een overmatige zaad- of kegelzetting wanneer die de boom verzwakt.

Bedraden

Bedraad in de rustperiode of na het afharden van de jonge groei. Bescherm de bast en verwijder de draad voordat hij insnoert.

Bemesten

Bemest van het voorjaar tot de vroege herfst regelmatig en matig. Gebruik in de opbouwfase meer voeding dan in de verfijningsfase. Vermijd een sterke stikstofgift laat in het seizoen en bemest niet direct na wortelsnoei.

Watergifte

Geef grondig water zodra de bovenste laag van het substraat licht begint op te drogen. Laat overtollig water uit de schaal lopen en voorkom dat de wortelkluit volledig uitdroogt. Werk niet met een vast schema, maar controleer de boom dagelijks.

Substraat

Gebruik een luchtig, korrelig en goed drainerend substraat, bijvoorbeeld akadama met puimsteen, lava of kiryu. Het mengsel moet voldoende vocht vasthouden zonder langdurig zuurstofarm te worden.

Verpotten

Verpot in het vroege voorjaar, vlak voordat de knoppen openen of de groei duidelijk hervat. Jonge, snelgroeiende bomen worden vaker verpot dan oude, verfijnde bonsai. Kort de wortels geleidelijk in en verpot alleen wanneer de wortelkluit of het substraat daar aanleiding toe geeft.

Ziekten en problemen

Mogelijke problemen zijn wortelrot, spint, schimmelaantastingen en verkleuring door droogte, zoutschade of een te nat substraat. Verwijder nooit grote hoeveelheden wortels en loof in dezelfde herstelperiode.