
Bougainvillea glabra
Veel zon, warmte en een zeer luchtig substraat zijn belangrijker dan een vaste kalender. Overwinter helder bij circa 10-15 °C en laat de kluit nooit langdurig nat en koud staan.
Oorspronkelijke herkomst
Oost- en Zuid-Brazilië. Bougainvillea glabra is van oorsprong een tropische/subtropische klimmende struik of liaan.
Eigenschappen
Bougainvillea glabra is een snelgroeiende, doornige, groenblijvende tot halfbladverliezende klimplant/struik. De opvallende kleuren komen van papierachtige schutbladeren rond kleine echte bloemen. Oudere stammen kunnen een fraaie, knoestige bast ontwikkelen.
Voor- en nadelen als bonsai
Pluspunten zijn snelle stamverdikking, goede reactie op snoei, sterke terugloop en opvallende bloei. Nadelen zijn vorstgevoeligheid, brosser oud hout, doorns en gevoeligheid voor langdurig natte wortels. Veel licht en warmte zijn essentieel.
Standplaats als bonsai
In het groeiseizoen buiten in volle zon en warmte. Voor de bloei is zeer veel licht nodig. In het najaar naar een zeer lichte vorstvrije plaats; overwinter bij voorkeur ongeveer 10-15 °C en vermijd een warme donkere kamer.
Groei
Sterke groei bij hoge lichtintensiteit en warmte. Bij koelere overwintering vertraagt de groei sterk. Lange scheuten kunnen in korte tijd grof worden, waardoor regelmatig selectief snoeien nodig is.
Geschikte stijlvormen
Informeel rechtop, hellend, cascade, halfcascade, literati en meerstammige of ruige struikvormen. Oudere knoestige stammen en de bloeiende uiteinden zijn belangrijke ontwerpelementen.
Vormsnoei
Zwaardere snoei vooral na een bloeiperiode of bij duidelijke actieve groei. Laat voldoende blad en groeipunten over; zeer oud hout kan teruglopen, maar herstel is betrouwbaarder wanneer de boom warm en krachtig groeit.
Onderhoudssnoei
Knip lange scheuten gedurende het groeiseizoen regelmatig terug nadat de gewenste lengte is bereikt. Spaar bloeiende uiteinden wanneer de presentatie belangrijk is en verwijder ongewenste waterloten vroeg.
Fijnsnoei
Laat nieuwe scheuten enkele bladeren maken en snoei daarna terug tot ongeveer twee of drie bladeren voor compacte vertakking. Zwakke scheuten minder hard behandelen.
Bladsnoei / ontbladeren
Geen volledige ontbladering als standaardtechniek. Verwijder vooral beschadigd, ziek of storend groot blad. Een sterke boom kan plaatselijk worden uitgedund om licht in de kroon te brengen.
Wortelsnoei
Wortelwerk alleen uitvoeren wanneer de boom warm staat en actief kan herstellen, bij voorkeur in late lente/vroege zomer. Niet extreem veel wortels in één keer verwijderen en na verpotten beschermen tegen koude.
Knopbeheer
Sterke uiteinden regelmatig remmen om binnenvertakking te behouden. Bloei ontstaat aan nieuwe groei; te vroeg of voortdurend hard snoeien kan de bloei verminderen.
Bloei- en vruchtbeheer
De papierachtige schutbladeren zijn de sierwaarde. Laat voldoende nieuwe scheuten ontwikkelen om bloei mogelijk te maken. Uitgebloeide delen kunnen worden verwijderd om nieuwe groei en een nette kroon te stimuleren.
Bedraden
Bedraad jonge, soepele takken. Oudere takken worden stijf en kunnen bij forse buiging breken. Bescherm bast en controleer draad vaak omdat warm groeiende scheuten snel verdikken.
Bemesten
Regelmatig en gematigd bemesten tijdens actieve groei. Vermijd buitensporig veel stikstof als rijke bloei gewenst is. Bij koele stilstand zeer weinig of niet voeden en na verpotten eerst herstel afwachten.
Watergifte
Water grondig wanneer het substraat duidelijk begint op te drogen. Bougainvillea verdraagt tijdelijke droogte beter dan voortdurend natte wortels. Nooit permanent in water laten staan; langdurige nattigheid geeft snel wortelrot.
Substraat
Zeer luchtig en snel drainerend bonsaisubstraat, bijvoorbeeld akadama met puimsteen en lava. Een te fijn of sterk organisch mengsel vergroot vooral bij koel weer het risico op wortelrot.
Verpotten
Verpot bij warme, actieve groei, bij voorkeur late lente of vroege zomer. Werk terughoudend aan de wortels en houd de boom daarna warm, licht en uit koude wind.
Ziekten en problemen
Vooral wortelrot door constant nat substraat, bladluis, schildluis, witte vlieg en spint kunnen voorkomen. Bladval volgt vaak op kou, te weinig licht, plotselinge standplaatswissel of verkeerd watergeven.
