Bougainvillea

← Terug naar Bomen
Bougainvillea
B007 · Mediterraan

Bougainvillea glabra

Belangrijkste tip

Laat warmte en actieve groei het werkmoment bepalen. Bescherm de wortelkluit vooral tegen een combinatie van koude en langdurige nattigheid.

Oorspronkelijke herkomst

Tropisch/subtropisch Zuid-Amerika, vooral Brazilië en omliggende gebieden.

Eigenschappen

De Bougainvillea is een tropische klimplant/struik die vooral bekend is om zijn felle “bloemen”. Maar technisch gezien zijn die gekleurde delen geen bloemen, maar schutbladeren. De echte bloemetjes zijn klein, wit of crèmekleurig en zitten ertussen.

Voor- en nadelen als bonsai

Voordelen zijn de natuurlijke uitstraling, de goede reactie op snoei en de mogelijkheid om fijne vertakking op te bouwen. Nadelen zijn dat bladgrootte, internodiën en wondsluiting per soort extra aandacht vragen.

Standplaats als bonsai

Zet deze bonsai in het groeiseizoen buiten in veel zon en warmte. Bescherm hem tegen koude wind en langdurige regen. Overwinter hem zeer licht en vorstvrij; vermijd daarbij een warme, donkere huiskamer.

Groei

Groeit vooral bij warmte en veel licht. In koele overwintering staat de groei bijna stil; werk dan niet zwaar aan snoei, wortels of bemesting.

Geschikte stijlvormen

Geschikte stijlvormen zijn informeel rechtop, cascade/halfcascade, literati en ruige mediterrane struikvorm.

Vormsnoei

Voer de vormsnoei in het late voorjaar of de vroege zomer uit, wanneer de boom warm staat en krachtig groeit. Snoei niet zwaar tijdens een koele overwintering.

Onderhoudssnoei

Knip lange scheuten tijdens de actieve groei regelmatig terug, maar laat voldoende blad staan voor herstel en vruchtontwikkeling.

Fijnsnoei

Knip nieuwe scheuten na het afharden terug tot twee of drie bladeren. Spaar bloeiende en vruchtdragende twijgen wanneer die in het ontwerp passen.

Bladsnoei / ontbladeren

Pas geen volledige ontbladering toe. Verwijder alleen beschadigd, ziek of te groot blad wanneer de boom sterk groeit.

Wortelsnoei

Voer wortelsnoei in het late voorjaar uit, wanneer de nachten zacht zijn en de groei duidelijk is hervat. Werk terughoudend en bescherm de boom daarna tegen kou.

Knopbeheer

Dun te sterke groeischeuten uit en behoud voldoende bloeiknoppen. Verdeel de groeikracht over de hele kroon.

Bloei- en vruchtbeheer

Beperk het aantal vruchten bij kleine of jonge bonsai, zodat takken en wortels niet uitgeput raken. Verwijder beschadigde vruchten en ongewenste wortelopslag.

Bedraden

Bedraad jonge, soepele takken tijdens actieve groei. Controleer vaak op insnoeren en buig oudere, brosser wordende takken in kleine stappen.

Bemesten

Bemest van het voorjaar tot de nazomer regelmatig met een uitgebalanceerde bonsaimest. Pas de hoeveelheid aan de ontwikkelingsfase aan: sterker in de opbouwfase en gematigder bij verfijnde bomen. Bemest niet direct na het verpotten of bij droogtestress.

Watergifte

Geef grondig water zodra de bovenste laag van het substraat licht begint op te drogen. Laat overtollig water uit de schaal lopen en voorkom dat de wortelkluit volledig uitdroogt. Werk niet met een vast schema, maar controleer de boom dagelijks.

Substraat

Gebruik een zeer luchtig en mineraal substraat met een snelle afwatering, bijvoorbeeld akadama met puimsteen en lava. Voorkom een groot aandeel fijne, organische potgrond, vooral bij een koele overwintering.

Verpotten

Verpot in het late voorjaar, wanneer de nachten zacht zijn en de boom duidelijk actief groeit. Werk terughoudend aan de wortels en bescherm de boom na afloop tegen koude en felle middagzon. Verpot alleen wanneer de wortelkluit of de conditie van het substraat daar aanleiding toe geeft.

Ziekten en problemen

Mogelijke problemen zijn bladluis, spint, meeldauw, wortelrot, droogtestress en taksterfte na te zware ingrepen. Goede luchtcirculatie, correcte watergift en schoon gereedschap verkleinen de risico’s.