Buxus

← Terug naar Bomen
Buxus
Loofboom

Buxus sempervirens

Belangrijkste tip

Buxus verdraagt herhaald snoeien zeer goed en kan op oud hout teruglopen. Houd de kroon luchtig en controleer in het groeiseizoen regelmatig op buxusmot en schimmelaantasting.

Oorspronkelijke herkomst

West- en Zuid-Europa, Noord-Afrika en West-Azië.

Eigenschappen

Buxus is een langzaam groeiende, wintergroene struik met kleine leerachtige blaadjes. Hij wordt vooral gebruikt voor lage haagjes, bolvormen, vakverdeling en vormsnoei. De bekendste soort is Buxus sempervirens.

Voor- en nadelen als bonsai

Pluspunten zijn het kleine wintergroene blad, sterke reactie op terugknippen, terugloop op ouder hout en fraaie oude bast. Nadelen zijn trage verdikking, gevoeligheid voor langdurig natte wortels en in Europa vooral het risico op buxusmot en buxusschimmel.

Standplaats als bonsai

Zet deze bonsai buiten op een lichte plaats in de zon tot halfschaduw. Zorg voor voldoende luchtcirculatie en bescherm de schaal tegen extreme hitte, uitdroging en langdurige strenge vorst.

Groei

Langzame tot matige groei met korte internodiën. Buxus loopt doorgaans goed terug op ouder hout en is daardoor geschikt voor clip-and-grow en compacte kroonopbouw.

Geschikte stijlvormen

Geschikte stijlvormen zijn informeel rechtop, clump/meerstammig, shohin, hellend en soms cascade/halfcascade bij soepele soorten.

Vormsnoei

Grote structuurcorrecties bij voorkeur uitvoeren wanneer de boom gezond en niet in volle zomerhitte staat. Grote wonden geleidelijk opbouwen; buxus kan uit oud hout teruglopen maar herstel kost tijd.

Onderhoudssnoei

Nieuwe scheuten tijdens het groeiseizoen regelmatig terugnemen en dicht op elkaar staande scheuten uitdunnen. Laat na een snoeibeurt voldoende blad staan en voorkom een permanent te dichte kroon.

Fijnsnoei

Laat een nieuwe scheut enkele bladparen ontwikkelen en snoei terug tot één of twee bladparen. Voor fijne vertakking vaker licht knippen in plaats van zelden zeer hard.

Bladsnoei / ontbladeren

Volledige ontbladering niet als routine toepassen. Verwijder alleen plaatselijk oud, beschadigd of te dicht blad bij een sterke gezonde boom om licht en lucht in de kroon te verbeteren.

Wortelsnoei

Voer wortelsnoei vroeg in het voorjaar uit, vlak voordat de knoppen openen. Kort dikke wortels geleidelijk in en behoud voldoende fijne haarwortels.

Knopbeheer

Buxus vormt gemakkelijk nieuwe scheuten uit oud hout. Verwijder ongewenste nieuwe knoppen vroeg en behoud zwakke binnenknoppen waar nieuwe vertakking gewenst is.

Bloei- en vruchtbeheer

De kleine geelgroene bloemen zijn meestal ondergeschikt aan de bonsaivorm en zijn aantrekkelijk voor insecten. Bloei hoeft niet verwijderd te worden, maar bij zeer kleine of verzwakte bomen mag de belasting worden beperkt.

Bedraden

Bedraad in de rustperiode of nadat de jonge groei is afgehard. Bescherm de bast en verwijder de draad voordat hij insnoert.

Bemesten

Bemest van het voorjaar tot de nazomer regelmatig met een uitgebalanceerde bonsaimest. Pas de hoeveelheid aan de ontwikkelingsfase aan: sterker in de opbouwfase en gematigder bij verfijnde bomen. Bemest niet direct na het verpotten of bij droogtestress.

Watergifte

Geef grondig water zodra de bovenste laag van het substraat licht begint op te drogen. Laat overtollig water uit de schaal lopen en voorkom dat de wortelkluit volledig uitdroogt. Werk niet met een vast schema, maar controleer de boom dagelijks.

Substraat

Gebruik een luchtig en stabiel bonsaisubstraat dat water vasthoudt en tegelijk goed afwatert. Een mengsel van akadama, puimsteen en lava is een bruikbaar uitgangspunt; pas de verhouding aan de soort, schaal en standplaats aan.

Verpotten

Verpot in het vroege voorjaar, vlak voordat de knoppen openen of de groei duidelijk hervat. Jonge, snelgroeiende bomen worden vaker verpot dan oude, verfijnde bonsai. Kort de wortels geleidelijk in en verpot alleen wanneer de wortelkluit of het substraat daar aanleiding toe geeft.

Ziekten en problemen

Belangrijk in Nederland en België zijn buxusmot/buxusrups en buxusschimmel. Controleer het loof regelmatig op vraat, spinsels, rupsen, donkere bladvlekken en taksterfte. Daarnaast kunnen wortelrot, spint en bladverbranding optreden. Zorg voor luchtcirculatie en vermijd langdurig nat blad en nat substraat.