
Cupressus sempervirens
Laat de conditie en groeifase van de boom zwaarder wegen dan een vaste kalender. Voer nooit meerdere zware ingrepen tegelijk uit.
Oorspronkelijke herkomst
Oostelijk Middellandse Zeegebied en West-Azië.
Eigenschappen
De cipres is bekend als een mediterrane boom. Je ziet hem veel in Italië, Frankrijk, Spanje en Griekenland, vaak als hoge, smalle zuil langs wegen, kerkhoven of landgoederen. Wintergroen Schubachtige naalden, geen gewone dennennaalden Groeit vaak smal en zuilvormig Kan erg oud worden Houdt van zon en warmte Verdraagt droogte redelijk goed Heeft kleine ronde kegeltjes Ruikt harsachtig/aromatisch als je het loof kneust.
Voor- en nadelen als bonsai
Voordelen zijn de karaktervolle groei, het jaarronde of seizoensgebonden silhouet en de goede vormbaarheid met bedrading. Nadelen zijn de trage reactie op zware ingrepen en de noodzaak om soortspecifiek met knoppen, kaarsen en wortels om te gaan.
Standplaats als bonsai
Zet deze bonsai het hele jaar buiten in volle zon tot lichte halfschaduw, met goede luchtcirculatie. Bescherm de schaal tegen langdurige strenge vorst en voorkom dat het substraat lange tijd doorweekt blijft.
Groei
Groeit vooral bij warmte en veel licht. In koele overwintering staat de groei bijna stil; werk dan niet zwaar aan snoei, wortels of bemesting.
Geschikte stijlvormen
Geschikte stijlvormen zijn informeel rechtop, hellend, literati, winderig en oude struikvorm; ontwerp liefst met open kroon en karaktervolle stam.
Vormsnoei
Voer zware vormsnoei bij voorkeur uit in de rustperiode of aan het einde van de zomer, afhankelijk van de soort. Laat voldoende gezond loof op iedere behouden tak staan.
Onderhoudssnoei
Knip uitstekende scheuten selectief terug en houd licht en lucht in de kroon. Verwijder niet in één keer grote hoeveelheden loof.
Fijnsnoei
Dun jonge groei selectief uit om korte scheuten en fijne vertakking te bevorderen. Pas de techniek aan de soort aan en spaar zwakke takken.
Bladsnoei / ontbladeren
Pas geen volledige ontbladering toe. Verwijder alleen oud, beschadigd of te dicht geplaatst loof.
Wortelsnoei
Voer een matige wortelsnoei vroeg in het voorjaar uit, vlak voordat de groei hervat. Combineer dit niet met zware bovengrondse ingrepen.
Knopbeheer
Dun overtollige knoppen of groeipunten uit en verdeel de groeikracht over sterke en zwakke delen van de kroon.
Bloei- en vruchtbeheer
Bloemen en kegels zijn meestal ondergeschikt aan de vorm. Verwijder een overmatige zaad- of kegelzetting wanneer die de boom verzwakt.
Bedraden
Bedraad in de rustperiode of na het afharden van de jonge groei. Bescherm de bast en verwijder de draad voordat hij insnoert.
Bemesten
Bemest van het voorjaar tot de vroege herfst regelmatig en matig. Gebruik in de opbouwfase meer voeding dan in de verfijningsfase. Vermijd een sterke stikstofgift laat in het seizoen en bemest niet direct na wortelsnoei.
Watergifte
Geef grondig water zodra de bovenste laag van het substraat licht begint op te drogen. Laat overtollig water uit de schaal lopen en voorkom dat de wortelkluit volledig uitdroogt. Werk niet met een vast schema, maar controleer de boom dagelijks.
Substraat
Gebruik een luchtig, korrelig en goed drainerend substraat, bijvoorbeeld akadama met puimsteen, lava of kiryu. Het mengsel moet voldoende vocht vasthouden zonder langdurig zuurstofarm te worden.
Verpotten
Verpot in het vroege voorjaar, vlak voordat de knoppen openen of de groei duidelijk hervat. Jonge, snelgroeiende bomen worden vaker verpot dan oude, verfijnde bonsai. Kort de wortels geleidelijk in en verpot alleen wanneer de wortelkluit of het substraat daar aanleiding toe geeft.
Ziekten en problemen
Mogelijke problemen zijn wortelrot, spint, schimmelaantastingen en verkleuring door droogte, zoutschade of een te nat substraat. Verwijder nooit grote hoeveelheden wortels en loof in dezelfde herstelperiode.
