
Acer pseudoplatanus
Gebruik deze soort vooral voor middelgrote of grotere bonsai. Voorkom grove groei met veel licht, tijdige scheutselectie en gematigde voeding; vermijd zware snoei tijdens de voorjaarssapstroom.
Oorspronkelijke herkomst
Europa tot de westelijke Kaukasus. In België en Nederland is de soort veel aangeplant en op veel plaatsen verwilderd, maar zijn oorspronkelijke areaal ligt vooral verder zuidelijk en oostelijk in Europa.
Eigenschappen
Acer pseudoplatanus is een krachtige, zeer winterharde bladverliezende esdoorn met grote vijf-lobbige bladeren, snelle groei en gevleugelde zaden. Als bonsai is hij robuuster dan veel sieresdoorns maar grover van blad en internodiën.
Voor- en nadelen als bonsai
Pluspunten: zeer sterk, goed bestand tegen wind en uiteenlopende omstandigheden, goede reactie op snoei en geschikt voor robuuste middelgrote of grote bonsai. Nadelen: groot blad, lange internodiën en sterke groei maken zeer fijne miniatuurbonsai moeilijk.
Standplaats als bonsai
Buiten in zon tot halfschaduw. Voor compacte groei is veel licht gewenst, maar bescherm een kleine schaal tegen extreme hitte en uitdroging. De soort is zeer winterhard; de wortels in een ondiepe schaal verdienen bij extreme vorst toch bescherming.
Groei
Zeer krachtige voorjaarsgroei met neiging tot lange internodiën. Rem sterke topscheuten vroeg en laat zwakke binnen- en ondertakken voldoende blad houden.
Geschikte stijlvormen
Informeel rechtop, bezemvorm, meerstammig, groep/bos en natuurlijke grote loofboomvormen. Door de bladmaat vooral geschikt als middelgrote tot grote bonsai.
Vormsnoei
Acer-soorten kunnen sterk bloeden bij snoei rond het uitlopen. Voer grote structurele snoei daarom bij voorkeur uit van late herfst tot middenwinter of, bij een krachtig groeiende boom, in de zomer wanneer de wond snel kan herstellen. Vermijd zwaar snoeien tijdens sterke voorjaarssapstroom.
Onderhoudssnoei
Knip lange nieuwe scheuten na afharding terug tot één of twee bladparen. Verwijder kruisende en naar binnen groeiende scheuten en voorkom verdikkingen door te veel takken op één knooppunt.
Fijnsnoei
Selecteer korte internodiën en goed geplaatste knoppen. Laat zwakke delen langer groeien en rem de top. De soort blijft van nature grover dan drietandesdoorn of Japanse esdoorn.
Bladsnoei / ontbladeren
Gebruik hooguit selectieve of gedeeltelijke bladverwijdering op een sterke boom. Volledige ontbladering is bij deze grove soort zelden nodig en mag niet worden gecombineerd met zwaar wortelwerk.
Wortelsnoei
Verpot in het vroege voorjaar vóór sterke scheutgroei. Kort grove wortels geleidelijk terug en behoud een brede waaier van fijne wortels rond de stam.
Knopbeheer
Verwijder overtollige knoppen en dubbele of drievoudige scheuten vroeg. Behoud knoppen op zwakke binnenste takken en gebruik topknopbeheer om de sterke apicale dominantie af te remmen.
Bloei- en vruchtbeheer
Bloemen en samara’s zijn voor bonsai meestal secundair. Verwijder overvloedige zaadvorming als dit de ontwikkeling of verfijning van de boom hindert.
Bedraden
Bedraad jonge takken wanneer ze voldoende zijn afgehard. Controleer vaak op insnoeren tijdens de snelle groei en bescherm de bast. Oudere takken zijn beter geleidelijk met spandraden te zetten.
Bemesten
Regelmatig bemesten tijdens de groeiperiode. In de opbouwfase mag dit royaal; bij verfijning matiger, vooral met stikstof, om grof blad en lange internodiën te beperken.
Watergifte
Houd de kluit gelijkmatig vochtig maar goed doorlatend. Een krachtige esdoorn in blad verbruikt veel water; laat de schaal bij warm en winderig weer niet uitdrogen.
Substraat
Een goed drainerend standaard bonsaimengsel, bijvoorbeeld akadama, puimsteen en lava. De soort is niet kieskeurig voor pH, maar verdichting en stilstaand water verminderen wortelgezondheid.
Verpotten
Verpot jonge bomen ongeveer om de twee tot drie jaar; oudere exemplaren minder vaak. Beste tijd is vroeg in het voorjaar vóór de krachtige uitloop.
Ziekten en problemen
Kan last krijgen van galmijten, bladluizen, rupsen en schildluizen. Bekende ziekten zijn teervlekkenziekte, Verticillium-verwelking en honingzwam. Bladschade kan ook ontstaan door droogte, wind of te plotselinge felle zon.
