Gewone esdoorn

← Terug naar Bomen
Gewone esdoorn
B018 · Fijne loofboom

Acer pseudoplatanus

Belangrijkste tip

Laat de conditie en groeifase van de boom zwaarder wegen dan een vaste kalender. Voer nooit meerdere zware ingrepen tegelijk uit.

Oorspronkelijke herkomst

De gewone esdoorn komt van nature voor in een groot deel van Europa tot aan de westelijke Kaukasus. De soort is in Noordwest-Europa ook veel aangeplant en plaatselijk verwilderd.

Eigenschappen

Acer pseudoplatanus is een krachtige, bladverliezende boom met handvormige bladeren en een snelle groei. De soort verdraagt wind en uiteenlopende bodems, maar maakt van nature vrij grote bladeren en lange internodiën. Daardoor is hij vooral geschikt voor middelgrote en grote bonsai.

Voor- en nadelen als bonsai

Voordelen zijn de natuurlijke uitstraling, de goede reactie op snoei en de mogelijkheid om fijne vertakking op te bouwen. Nadelen zijn dat bladgrootte, internodiën en wondsluiting per soort extra aandacht vragen.

Standplaats als bonsai

Zet deze bonsai buiten op een lichte plaats in de zon tot halfschaduw. Zorg voor voldoende luchtcirculatie en bescherm de schaal tegen extreme hitte, uitdroging en langdurige strenge vorst.

Groei

Relatief sterke voorjaarsgroei met lange internodiën als hij te rijk of te donker staat. Verfijning vraagt tijdig terugnemen.

Geschikte stijlvormen

Geschikte stijlvormen zijn informeel rechtop, bezemvorm, meerstammig, bos/groep, hellend en wortel-over-rots.

Vormsnoei

Voer zware vormsnoei in de rustperiode of aan het einde van de zomer uit, afhankelijk van de soort en wondgevoeligheid. Werk met schoon gereedschap en laat grote wonden netjes sluiten.

Onderhoudssnoei

Knip lange scheuten tijdens het groeiseizoen regelmatig terug en verwijder kruisende, naar binnen groeiende of ongewenste scheuten.

Fijnsnoei

Knip nieuwe scheuten na het afharden terug tot één of twee bladparen. Spaar zwakke takken en laat de boom na iedere snoeibeurt herstellen.

Bladsnoei / ontbladeren

Pas gedeeltelijke of volledige ontbladering alleen toe bij een sterke, gezonde boom en op een geschikt moment in het groeiseizoen. Ontblader niet ieder jaar automatisch.

Wortelsnoei

Voer wortelsnoei vroeg in het voorjaar uit, vlak voordat de knoppen openen. Kort dikke wortels geleidelijk in en behoud voldoende fijne haarwortels.

Knopbeheer

Dun te sterke of te dicht geplaatste knoppen uit en behoud knoppen op zwakke takken. Verdeel de groeikracht evenwichtig over de kroon.

Bloei- en vruchtbeheer

Bloemen en vruchten zijn bij deze soort meestal ondergeschikt aan de vorm. Verwijder een overmatige vruchtzetting wanneer die de boom verzwakt.

Bedraden

Bedraad in de rustperiode of nadat de jonge groei is afgehard. Bescherm de bast en verwijder de draad voordat hij insnoert.

Bemesten

Bemest van het voorjaar tot de nazomer regelmatig met een uitgebalanceerde bonsaimest. Pas de hoeveelheid aan de ontwikkelingsfase aan: sterker in de opbouwfase en gematigder bij verfijnde bomen. Bemest niet direct na het verpotten of bij droogtestress.

Watergifte

Geef grondig water zodra de bovenste laag van het substraat licht begint op te drogen. Laat overtollig water uit de schaal lopen en voorkom dat de wortelkluit volledig uitdroogt. Werk niet met een vast schema, maar controleer de boom dagelijks.

Substraat

Gebruik een luchtig en stabiel bonsaisubstraat dat water vasthoudt en tegelijk goed afwatert. Een mengsel van akadama, puimsteen en lava is een bruikbaar uitgangspunt; pas de verhouding aan de soort, schaal en standplaats aan.

Verpotten

Verpot in het vroege voorjaar, vlak voordat de knoppen openen of de groei duidelijk hervat. Jonge, snelgroeiende bomen worden vaker verpot dan oude, verfijnde bonsai. Kort de wortels geleidelijk in en verpot alleen wanneer de wortelkluit of het substraat daar aanleiding toe geeft.

Ziekten en problemen

Mogelijke problemen zijn bladluis, spint, meeldauw, wortelrot, droogtestress en taksterfte na te zware ingrepen. Goede luchtcirculatie, correcte watergift en schoon gereedschap verkleinen de risico’s.