
Ulmus minor
Gebruik de soortnaam Ulmus minor consequent als Gladde iep. Bouw fijne vertakking op met herhaald licht snoeiwerk en neem iepziekte serieus bij plots verwelkende of afstervende takken.
Oorspronkelijke herkomst
Europa tot Centraal-Azië en Noord- en Noordwest-Iran; daarnaast Noordwest-Afrika.
Eigenschappen
De Gladde iep (Ulmus minor) is een bladverliezende iep met relatief klein, dubbel gezaagd blad en een sterke natuurlijke vertakking. Oudere bomen kunnen een karaktervolle, gegroefde schors ontwikkelen. In Nederland en België is de soort inheems; iepziekte blijft het belangrijkste gezondheidsrisico.
Voor- en nadelen als bonsai
Pluspunten zijn de sterke reactie op snoei, goede vertakkingsmogelijkheden, relatief klein blad en een overtuigend oud-boomsilhouet. Aandachtspunten zijn krachtige scheutgroei, snel verdikkende takken, wondsluiting bij grote snoeiwonden en de gevoeligheid van iepen voor iepziekte.
Standplaats als bonsai
Buiten in volle zon tot halfschaduw. Veel licht geeft compacte groei, maar bescherm een kleine schaal bij extreme hitte en droge wind. De boom is winterhard; bescherm vooral de wortelkluit tegen langdurige strenge vorst.
Groei
Sterke voorjaars- en vroege zomergroei. De soort reageert goed op regelmatig terugknippen en kan daardoor fijne vertakking opbouwen.
Geschikte stijlvormen
Bezemstijl, informeel rechtop, formeel rechtop, hellend, meerstammig en bos/groep.
Vormsnoei
Voer zware structuurcorrecties bij voorkeur in de bladloze rust uit, buiten perioden met strenge vorst. Maak zuivere sneden en ontsmet gereedschap, zeker wanneer meerdere iepen worden bewerkt.
Onderhoudssnoei
Laat sterke scheuten enkele bladeren verlengen en knip ze daarna terug om de kroon compact te houden. Verwijder wortelopslag en ongewenste waterloten tijdig.
Fijnsnoei
Knip verhoute nieuwe scheuten terug tot één of twee goed geplaatste bladparen. Laat zwakke binnenste takken langer doorgroeien zodat de groeikracht evenwichtiger wordt verdeeld.
Bladsnoei / ontbladeren
Gedeeltelijke of volledige ontbladering kan alleen bij een zeer sterke, gezonde boom in de vroege zomer. Gebruik dit niet jaarlijks en ontblader nooit een verzwakte of pas verpotte boom.
Wortelsnoei
Verpot en snoei de wortels in het vroege voorjaar voordat de knoppen volledig openen. Behoud voldoende fijne wortels en combineer geen zware wortelsnoei met een zware kroonreductie.
Knopbeheer
Dun te dicht geplaatste knoppen en sterke uitlopers uit. Spaar knoppen op zwakke zones en aan de binnenzijde van de kroon.
Bloei- en vruchtbeheer
De kleine voorjaarsbloemen en gevleugelde vruchten zijn voor bonsai meestal ondergeschikt aan de kroonopbouw. Vruchtzetting hoeft alleen te worden beperkt wanneer een kleine of verzwakte boom er veel energie aan besteedt.
Bedraden
Bedraad jonge takken wanneer zij voldoende verhout maar nog buigzaam zijn. Controleer vaak: jonge iepentakken kunnen snel verdikken en draadlittekens vormen.
Bemesten
Bemest van het voorjaar tot de nazomer regelmatig met een uitgebalanceerde bonsaimest. Geef in de opbouwfase ruimer voeding en matig de stikstofgift bij een verfijnde boom om lange internodiën te beperken.
Watergifte
Houd de wortelkluit tijdens de groei gelijkmatig vochtig zonder haar permanent nat te houden. Laat de kluit niet volledig uitdrogen; bij warm en winderig weer kan een kleine schaal veel water verbruiken.
Substraat
Gebruik een luchtig, goed drainerend maar voldoende vochtvasthoudend substraat, bijvoorbeeld akadama met puimsteen en lava.
Verpotten
Jonge bomen doorgaans om de twee à drie jaar; oudere bonsai minder vaak. Verpot in het vroege voorjaar op basis van wortelontwikkeling en substraatconditie, niet uitsluitend op kalender.
Ziekten en problemen
Iepziekte (Dutch elm disease) is het belangrijkste soortspecifieke risico en kan dodelijk zijn. Verder kunnen bladluizen, iepengalmijten, schildluizen, bladvlekken, wortelrot en droogtestress voorkomen. Werk hygiënisch en isoleer een verdachte boom.
