Granaatappel

← Terug naar Bomen
Granaatappel
Mediterraan

Punica granatum

Belangrijkste tip

De natuurlijke herkomst ligt niet in het hele Middellandse Zeegebied; daar is granaatappel vooral een oude cultuurplant. Voor bloemen: snoei de uiteinden van jonge bloemscheuten niet weg vóór de bloei en beperk daarna het aantal vruchten.

Oorspronkelijke herkomst

Van noordoostelijk Turkije via de Kaukasus, Iran en Centraal-Azië tot westelijk en noordelijk Pakistan. De soort wordt al zeer lang geteeld en is daardoor ook wijd verbreid en ingeburgerd rond het Middellandse Zeegebied.

Eigenschappen

Punica granatum is een bladverliezende struik of kleine boom met smalle glanzende bladeren, opvallend rood-oranje bloemen en ronde vruchten. Oudere bast wordt gegroefd en schilferig; sommige twijgen dragen doorns. Dwergvormen zoals Nana zijn bijzonder geschikt voor kleine bonsai.

Voor- en nadelen als bonsai

Pluspunten: fraaie bloemen, vruchten, oude bast en fijne jonge takken. Nadelen: vorstgevoelig in schaal, oudere takken worden stijf en bros, en te veel vruchten kunnen de boom sterk uitputten.

Standplaats als bonsai

Tijdens het groeiseizoen warm, zonnig en luchtig. Bescherm een kleine schaal bij extreme hitte tegen verschroeiende middagzon. Overwinter koel en vorstvrij; ongeveer 2 tot 8 °C is een bruikbare rusttemperatuur.

Groei

Sterke groei bij warmte en zon. Bloemknoppen ontstaan aan de uiteinden van jonge scheuten, waardoor snoeitiming rechtstreeks bepaalt hoeveel bloemen de boom draagt.

Geschikte stijlvormen

Informeel rechtop, hellend, meerstammig, shohin, literati en natuurlijke struikvormen. Oude, gedraaide stammen zijn bijzonder aantrekkelijk.

Vormsnoei

Structurele snoei kan goed tijdens de winterrust wanneer het blad weg is. Wil je bloemen, snoei dan in het voorjaar niet alle jonge scheuten terug, omdat bloemknoppen aan hun uiteinden ontstaan.

Onderhoudssnoei

Scheuten die niet voor bloei nodig zijn kunnen tijdens het groeiseizoen worden ingekort zodra ze ongeveer 10-15 cm lang zijn. Houd bloeiende scheuten intact tot na de bloei.

Fijnsnoei

Dun dichte groei uit en verkort na de bloei om een compacte kroon te behouden. Spaar voldoende jonge scheuten voor de volgende bloei.

Bladsnoei / ontbladeren

Volledige ontbladering is niet nodig als standaardtechniek. Gebruik selectieve bladverwijdering om licht en schaalverhouding te verbeteren zonder bloei en kracht onnodig te verminderen.

Wortelsnoei

De soort verdraagt een redelijke wortelsnoei wanneer hij gezond is. Verpot vroeg in het voorjaar vóór het openen van de bladknoppen en behoud voldoende fijne wortels.

Knopbeheer

Selecteer sterke scheuten en houd de kroon open. Bij een boom die voor bloemen wordt gehouden moet je eindknoppen op geselecteerde jonge scheuten sparen.

Bloei- en vruchtbeheer

Laat niet te veel vruchten tegelijk uitrijpen; dit kan een bonsai sterk verzwakken. Voor rijke bloei: veel zon, geen overdreven stikstof en geen onderhoudssnoei van alle bloemscheuten vlak vóór de bloei.

Bedraden

Bedraad het liefst wanneer de boom bladloos is. Jonge twijgen zijn goed te vormen, maar oudere takken zijn stijf en bros; buig ze geleidelijk.

Bemesten

Tijdens het groeiseizoen regelmatig bemesten. Voor een rijpe bloeiende boom niet te stikstofrijk voeden; voldoende fosfor en kalium ondersteunen bloei en vruchtvorming. Tijdens de bloei terughoudend bemesten.

Watergifte

Geef water zodra het substraat begint op te drogen. Tijdens bloei en warme zomer is de vraag hoger. In winterrust slechts licht vochtig houden. Vermijd zeer kalkrijk water wanneer mogelijk.

Substraat

Goed drainerend, licht zuur tot neutraal bonsaisubstraat. Akadama met puimsteen en lava is een bruikbaar uitgangspunt. Natte, zuurstofarme wortels verhogen het risico op wortelrot.

Verpotten

Iedere twee tot drie jaar in het vroege voorjaar vóór de knoppen openen; oude exemplaren minder vaak. Wortels kunnen bij een gezonde boom redelijk worden teruggenomen.

Ziekten en problemen

Bladluizen, schildluis, witte vlieg en wolluis kunnen optreden, vooral bij zwakke of binnen overwinterde bomen. Te nat substraat geeft wortelrot; hard kalkrijk water kan chlorose veroorzaken.