
Pinus sylvestris
Stem kaars-, knop- en naaldbeheer af op de exacte dennensoort. Behoud voldoende gezonde naalden en mycorrhiza bij iedere grote ingreep.
Oorspronkelijke herkomst
Noordelijk halfrond.
Eigenschappen
De den is een naaldboom uit het geslacht Pinus. Hij herken je vooral aan de naalden die meestal in bundeltjes bij elkaar staan, vaak per 2, 3 of 5 naalden.
Voor- en nadelen als bonsai
Voordelen zijn de karaktervolle groei, het jaarronde of seizoensgebonden silhouet en de goede vormbaarheid met bedrading. Nadelen zijn de trage reactie op zware ingrepen en de noodzaak om soortspecifiek met knoppen, kaarsen en wortels om te gaan.
Standplaats als bonsai
Zet deze bonsai het hele jaar buiten in volle zon tot lichte halfschaduw, met goede luchtcirculatie. Bescherm de schaal tegen langdurige strenge vorst en voorkom dat het substraat lange tijd doorweekt blijft.
Groei
Groei is meestal trager en seizoensgebonden. Werk geleidelijk; coniferen reageren slecht op te veel ingrepen tegelijk.
Geschikte stijlvormen
Geschikte stijlvormen zijn formeel rechtop, informeel rechtop, literati, hellend, winderig en groep; bij dennen zijn oude bast en groenmassa belangrijk.
Vormsnoei
Voer zware vormsnoei en het verwijderen van grote takken bij voorkeur in de late herfst of winter uit. Laat voldoende gezonde naalden en knoppen op iedere behouden tak staan.
Onderhoudssnoei
Verwijder overtollige scheuten en oude naalden volgens de groeicyclus van de betreffende dennensoort. Werk niet ieder jaar even zwaar.
Fijnsnoei
Stuur de kaarsen en knoppen soortspecifiek. Knijp of verkort sterke kaarsen alleen op het juiste moment en spaar zwakke zones.
Bladsnoei / ontbladeren
Pas geen ontbladering toe. Verwijder alleen oude naalden en te dichte naaldmassa wanneer de boom sterk en gezond is.
Wortelsnoei
Voer een voorzichtige wortelsnoei vroeg in het voorjaar uit, vlak voordat de knoppen actief worden. Behoud altijd voldoende fijne wortels en mycorrhiza.
Knopbeheer
Dun overtollige knoppen uit en laat per groeipunt een evenwichtige verdeling over. Behandel sterke en zwakke zones verschillend.
Bloei- en vruchtbeheer
Kegels zijn voor bonsai meestal van ondergeschikt belang. Verwijder ze wanneer zij een jonge of verzwakte boom onnodig belasten.
Bedraden
Bedraad bij voorkeur van de herfst tot het vroege voorjaar. Bescherm de bast, zet zware takken geleidelijk en controleer de draad tijdens de groeiperiode.
Bemesten
Bemest van het voorjaar tot de vroege herfst regelmatig en matig. Gebruik in de opbouwfase meer voeding dan in de verfijningsfase. Vermijd een sterke stikstofgift laat in het seizoen en bemest niet direct na wortelsnoei.
Watergifte
Geef grondig water zodra de bovenste laag van het substraat licht is opgedroogd. Laat de wortelkluit niet volledig uitdrogen, maar voorkom dat zij voortdurend nat blijft. Pas de watergift aan temperatuur, wind, blad- of naaldmassa en schaalgrootte aan.
Substraat
Gebruik een luchtig, korrelig en goed drainerend substraat, bijvoorbeeld akadama met puimsteen, lava of kiryu. Het mengsel moet voldoende vocht vasthouden zonder langdurig zuurstofarm te worden.
Verpotten
Verpot in het vroege voorjaar, vlak voordat de knoppen openen of de groei duidelijk hervat. Jonge, snelgroeiende bomen worden vaker verpot dan oude, verfijnde bonsai. Kort de wortels geleidelijk in en verpot alleen wanneer de wortelkluit of het substraat daar aanleiding toe geeft.
Ziekten en problemen
Mogelijke problemen zijn wortelrot, spint, schimmelaantastingen en verkleuring door droogte, zoutschade of een te nat substraat. Verwijder nooit grote hoeveelheden wortels en loof in dezelfde herstelperiode.
