
Chamaecyparis pisifera 'Squarrosa'
Houd de kroon open en laat op iedere behouden tak groen loof staan. De zachte Squarrosa-groei mag nooit als een haag volledig vlak worden geschoren.
Oorspronkelijke herkomst
Chamaecyparis pisifera is van nature Japans, specifiek Zuid-Honshu en centraal Kyushu. 'Squarrosa' is een oude tuinbouwcultivar met zacht blauwgroen juveniel loof.
Eigenschappen
Wintergroene Sawara-/Japanse schijncipres met in deze cultivar opvallend zacht, naaldachtig juveniel loof. De soort heeft roodbruine bast en kan een fijne, gelaagde kroon vormen. 'Squarrosa' groeit opgaand en kan zonder snoei uiteindelijk een flinke boom worden.
Voor- en nadelen als bonsai
Fijn zacht loof, mooie kleur en goede bedradingseigenschappen. Nadelen zijn het snel dichtgroeien van de kroon, bruin worden van donker binnenloof en slechte terugknop wanneer een tak volledig tot kaal oud hout wordt teruggezet.
Standplaats als bonsai
Het hele jaar buiten in volle zon tot lichte halfschaduw. Houd lucht rond de kroon en bescherm de schaal tegen extreme uitdroging, langdurige strenge vorst en hete droge wind.
Groei
Sterk in voorjaar en vroege zomer. Buitenste groeipunten kunnen de binnenste twijgen snel beschaduwen; regelmatig openen van de kroon is daarom essentieel.
Geschikte stijlvormen
Formeel en informeel rechtop, hellend, winderig, groepsbeplanting en compacte oude-boomvorm.
Vormsnoei
Late winter/vroege voorjaar of einde zomer. Laat altijd gezond loof op een behouden tak; terugknippen tot volledig kaal oud hout is onbetrouwbaar.
Onderhoudssnoei
Lange uitlopers selectief terugknippen tot een zijtak met gezond loof. Niet als haag scheren. Dood en bruin binnenloof regelmatig verwijderen.
Fijnsnoei
Te dichte groeipunten en kleine twijgen selectief uitdunnen zodat licht en lucht diep in de kroon komen. Zwakke takken niet van alle groeipunten ontdoen.
Bladsnoei / ontbladeren
Geen ontbladering. Alleen bruin, dood of beschadigd loof verwijderen en nooit in één keer te veel groen reduceren.
Wortelsnoei
Vroege voorjaar gematigd wortelsnoeien. Veel fijne wortels behouden en niet combineren met zware loof- of takreductie.
Knopbeheer
Sterke uiteinden dunnen en binnenste groeipunten sparen. Het doel is actieve groene punten op iedere behouden tak.
Bloei- en vruchtbeheer
Kleine ronde kegels zijn ondergeschikt. Verwijder een zware kegelzetting wanneer die de verfijning of herstelkracht belemmert.
Bedraden
Herfst tot vroege voorjaar of na het afharden van jonge groei. Oudere takken geleidelijk buigen omdat ze bros kunnen worden; draad vaak controleren.
Bemesten
Voorjaar tot vroege herfst regelmatig en matig. In opbouw sterker, in verfijning rustiger. Geen zware stikstofgift laat in het seizoen.
Watergifte
Houd gelijkmatig licht vochtig. Geef grondig water zodra de bovenlaag begint op te drogen en zorg dat overtollig water direct weg kan. Niet volledig laten uitdrogen.
Substraat
Luchtig, korrelig en vochtvasthoudend maar drainerend, bijvoorbeeld akadama met puimsteen en lava.
Verpotten
Vroege voorjaar voor hervatting van de groei. Jonge bomen ongeveer om de twee tot drie jaar; oude exemplaren alleen wanneer drainage/worteldichtheid dat vraagt.
Ziekten en problemen
Spint, bladluis, schildluis, Phytophthora, kanker en honingzwam kunnen voorkomen. Bruine binnenzijde ontstaat vaak door te weinig licht/lucht of waterstress. Dicht loof verhoogt schimmel- en plaagdruk.
