Japanse klaverstruik

← Terug naar Bomen
Japanse klaverstruik
Bloei/vrucht

Lespedeza thunbergii

Belangrijkste tip

Onthoud dat Lespedeza op de nieuwe jaargroei bloeit: zwaar snoeien vóór de groei, daarna de zomerstengels grotendeels laten uitgroeien voor late bloei.

Oorspronkelijke herkomst

Oost-Himalaya via Centraal- en Zuid-China tot Japan, Korea, Taiwan en de Ryukyu-eilanden.

Eigenschappen

Lespedeza thunbergii is een bladverliezende, houtige halfstruik uit de vlinderbloemenfamilie. Hij maakt lange, boogvormige jaarlijkse scheuten met drietallig blad en bloeit laat in de zomer en vroege herfst op de nieuwe jaargroei met roze tot purperen vlinderbloemen.

Voor- en nadelen als bonsai

Sterke punten zijn de late bloei, fijne blaadjes en elegante overhangende groei. De soort gedraagt zich meer als een houtige halfstruik dan als een klassieke boom: jonge scheuten kunnen in koude winters deels terugvriezen en de vorm moet ieder jaar opnieuw uit nieuwe groei worden opgebouwd.

Standplaats als bonsai

Buiten in volle zon voor de beste bloei. Gebruik een luchtig, goed drainerend substraat. Bescherm de ondiepe bonsaiwortels tegen langdurige strenge vorst en winterse nattigheid, ook al is de plant in de volle grond behoorlijk winterhard.

Groei

Nieuwe scheuten komen krachtig uit de houtige basis en kunnen lang en boogvormig worden. De bloemen verschijnen op de groei van hetzelfde jaar; te laat of te sterk zomersnoeien verwijdert dus toekomstige bloemen.

Geschikte stijlvormen

Meerstammig/clump, informeel struikvorm, cascade-achtige of overhangende vorm en kleine tot middelgrote bloeiende bonsai. De natuurlijke boogvormige scheuten mogen zichtbaar blijven.

Vormsnoei

Voer de belangrijkste terugzetting laat in de winter of vroeg in het voorjaar uit vóór de nieuwe groei begint. De soort bloeit op nieuw hout, zodat sterke wintersnoei de bloei niet wegneemt. Verwijder ook afgestorven of ingevroren scheutdelen.

Onderhoudssnoei

In voorjaar mag sterke groei worden gestuurd. Vanaf vroege zomer alleen nog licht corrigeren als late zomerbloei gewenst is; hard terugknippen in deze fase verwijdert bloemdragende jaarscheuten.

Fijnsnoei

Selecteer goed geplaatste nieuwe scheuten bij de basis en dun overtollige groei uit. Knip niet alle uiteinden voortdurend kort; laat voldoende lengte ontwikkelen voor bloei.

Bladsnoei / ontbladeren

Volledige ontbladering is niet zinvol als standaardtechniek. Verwijder alleen beschadigd of sterk beschaduwend blad en laat voldoende blad op bloeischeuten staan.

Wortelsnoei

Verpot en snoei wortels in het vroege voorjaar vóór de sterke nieuwe groei. Werk gematigd en zorg na verpotten voor beschutting tegen uitdrogende wind.

Knopbeheer

Selecteer in het voorjaar een beperkt aantal sterke, goed geplaatste scheuten uit de houtige basis. Verwijder ongewenste zwakke of kruisende uitlopers vroeg.

Bloei- en vruchtbeheer

De bloemen op nieuwe scheuten zijn de belangrijkste sierwaarde. Uitgebloeide trossen en peulen kunnen na de bloei worden verwijderd als zaadvorming niet gewenst is.

Bedraden

Jonge scheuten zijn buigzaam maar ook kwetsbaar. Vorm vooral met snoei en eventueel lichte bedrading of spandraad in het voorjaar; controleer vaak en respecteer de natuurlijke overhangende habitus.

Bemesten

Bemest gematigd vanaf het begin van de groei tot in de zomer. Overmatige stikstof geeft lange zachte scheuten en minder compacte bloei. Na het verpotten pas hervatten wanneer de groei goed op gang is.

Watergifte

Houd tijdens actieve groei gelijkmatig vochtig maar goed gedraineerd. Een gevestigde plant verdraagt enige droogte, maar een bonsaischaal mag tijdens warme bloeiperiodes niet volledig uitdrogen.

Substraat

Licht en zeer goed drainerend, bijvoorbeeld akadama met puimsteen/lava. Vermijd een zware, langdurig natte wortelomgeving in winter en voorjaar.

Verpotten

Vroege voorjaar vóór uitlopen. Jonge, krachtige planten ongeveer om de twee jaar; oudere exemplaren wanneer het substraat verdicht of de schaal volledig doorworteld is.

Ziekten en problemen

Over het algemeen weinig ziektegevoelig. Problemen zijn vooral winterterugval van jonge scheuten, wortelrot in slecht drainerend substraat, droogtestress in kleine schalen en incidenteel bladluis of spint.