
Ginkgo biloba
Houd de boom het hele jaar buiten, geef veel licht en voorkom dat de kluit uitdroogt. Wees terughoudend met grote snoeiwonden en zware wortelsnoei. Laat lange scheuten eerst kracht maken en snoei ze daarna terug tot één of twee bladeren. Voer geen volledige ontbladering uit. Wees in het voorjaar geduldig: ginkgo loopt van nature laat uit.
Oorspronkelijke herkomst
Oorspronkelijk uit Zuidoost-China, met een zeer beperkt natuurlijk verspreidingsgebied in Zhejiang. De soort wordt al eeuwenlang aangeplant bij tempels en in tuinen in China, Japan en Korea en is tegenwoordig wereldwijd als sier- en straatboom verspreid.
Eigenschappen
Een bladverliezende naaktzadige boom en de enige nog levende soort van de familie Ginkgoaceae. Kenmerkend zijn de waaiervormige bladeren, de goudgele herfstkleur, de late voorjaarsuitloop en de groei met zowel lange scheuten als korte spoortakjes. Jonge bomen groeien smal en rechtop; oudere bomen krijgen een bredere, onregelmatige kroon en een gegroefde bast. Ginkgo is tweehuizig: mannelijke en vrouwelijke bloemen komen op afzonderlijke bomen voor.
Voor- en nadelen als bonsai
Voordelen zijn de zeer herkenbare bladvorm, sterke herfstkleur, goede winterhardheid, hoge weerstand tegen luchtverontreiniging en geringe gevoeligheid voor ziekten en plagen. Oudere exemplaren kunnen een indrukwekkende bast en karakteristieke verdikkingen, zogeheten chi-chi, ontwikkelen. Nadelen zijn de relatief grote bladeren, trage stamverdikking, beperkte fijne vertakking en de neiging tot lange, rechte scheuten. Grote snoeiwonden sluiten slecht. Daarom is de soort vooral geschikt voor middelgrote en grotere bonsai, meerstammige vormen en bosbeplantingen.
Standplaats als bonsai
Het hele jaar buiten. Zet de boom bij voorkeur zonnig; jonge, pas verpotte of verzwakte bomen staan tijdelijk beter in lichte halfschaduw. Bescherm de wortelkluit in een kleine bonsaischaal tegen langdurige strenge vorst en scherm uitgelopen blad af bij late nachtvorst. Voorkom een voortdurend hete, uitdrogende standplaats en bescherm tegen harde, droge wind.
Groei
Groeit langzaam tot matig en loopt in het voorjaar relatief laat uit. De boom vormt lange scheuten voor lengtegroei en korte spoortakjes waarop vaak meerdere bladeren dicht bij elkaar staan. De apicale groei is meestal sterker dan de lagere groei. Zonder sturing worden scheuten lang, recht en grof; fijne vertakking ontstaat langzaam.
Geschikte stijlvormen
Vooral geschikt voor de formeel rechtopgaande stijl (Chokkan), informeel rechtopgaand (Moyogi), bezem- of vlamvorm, meerstammig (Kabudachi) en bosstijl (Yose-ue). Sterk neerwaartse takken, cascadevormen en zeer verfijnde loofkussens passen minder goed bij de natuurlijke groei.
Vormsnoei
Voer grotere vormsnoei uit aan het einde van de winter of zeer vroeg in het voorjaar, vóór de knoppen openen. Vermijd grote wonden, omdat die langzaam en vaak onvolledig sluiten. Werk bij dikke takken gefaseerd, maak gladde sneden en gebruik wondpasta. Behoud voldoende groeipunten om terugsterven van takdelen te voorkomen.
Onderhoudssnoei
Laat een sterke nieuwe scheut vijf tot zes bladeren maken en kort hem daarna terug tot één of twee bladeren. Laat zwakke of laag geplaatste scheuten langer doorgroeien om kracht op te bouwen. Verwijder ongewenste rechtopgaande, kruisende en naar binnen groeiende scheuten vroeg, zolang de wonden klein blijven.
Fijnsnoei
Dun op sterke plaatsen overtollige scheuten en bladclusters uit, maar behoud de korte spoortakjes die voor compactheid zorgen. Knijp uitsluitend krachtige lange scheuten terug nadat het blad is afgehard. Te vaak knijpen verzwakt de boom en levert zelden de zeer fijne vertakking op die bij esdoorns mogelijk is.
Bladsnoei / ontbladeren
Voer geen volledige ontbladering uit. Ginkgo reageert daarop minder betrouwbaar dan veel loofbomen en kan daardoor sterk verzwakken. Bij een gezonde, volwassen boom mogen in de vroege zomer alleen enkele uitzonderlijk grote of licht blokkerende bladeren worden verwijderd. Laat altijd ruim voldoende gezond blad staan.
Wortelsnoei
Snoei de wortels in het vroege voorjaar, vlak vóór of tijdens het zwellen van de knoppen. Werk matig en behoud veel fijne wortels. Verwijder vooral dode, cirkelende en sterk neerwaartse wortels. Combineer een stevige wortelsnoei niet met zware taksnoei of ontbladering.
Knopbeheer
Controleer knopclusters vóór het uitlopen en behoud op één punt bij voorkeur maximaal twee goed geplaatste knoppen. Verwijder naar binnen gerichte of elkaar verdringende knoppen en rem de top sterker dan zwakke lage takken. Bescherm waardevolle korte spoortakjes, omdat juist daar de compacte groei ontstaat.
Bloei- en vruchtbeheer
Ginkgo is tweehuizig en bloeit pas op hogere leeftijd. Bonsai dragen zelden zaden. Bij een vrouwelijke boom kunnen geelachtige, sterk ruikende zaden ontstaan. Verwijder die desgewenst vroegtijdig en draag handschoenen, omdat de vlezige zaadhuid de huid kan irriteren. Houd zaden uit de buurt van huisdieren.
Bedraden
Bedraden kan in de rustperiode of tijdens het groeiseizoen, maar de zachte bast beschadigt en tekent gemakkelijk. Gebruik daarom passend draad, breng zo nodig bescherming aan en controleer minstens wekelijks tijdens sterke groei. Verwijder draad vóór insnoeren. Span- en tuidraden zijn vaak veiliger voor oudere takken; buig dikke takken geleidelijk.
Bemesten
Begin met bemesten zodra de knoppen openen. In de opbouwfase mag in het voorjaar een normale, iets stikstofrijkere voeding worden gegeven om voldoende lange scheuten te verkrijgen. Bij een verfijnde boom bemest je gematigder om blad en internodiën niet onnodig grof te maken. Voed regelmatig tot de nazomer, bouw stikstof daarna af en stop wanneer het blad in de herfst geel kleurt. Bemest niet direct na verpotten.
Watergifte
Ginkgo gebruikt van het voorjaar tot de herfst relatief veel water. Houd het substraat gelijkmatig vochtig, maar niet voortdurend drijfnat. Geef ruim water zodra de bovenlaag begint op te drogen en laat overtollig water volledig weglopen. In de winter blijft de kluit licht vochtig; voorkom zowel uitdroging als langdurig natte, koude wortels.
Substraat
Gebruik een luchtig, goed drainerend maar voldoende vochthoudend mengsel. Een bruikbaar uitgangspunt is akadama met puimsteen en lava in ongeveer gelijke delen, eventueel met iets meer akadama bij een warme, droge standplaats. De soort verdraagt een brede pH, maar een verdichte of zuurstofarme kluit moet worden voorkomen.
Verpotten
Verpot jonge, krachtig groeiende bomen om de één tot twee jaar en oudere, verfijnde bomen ongeveer om de drie tot vijf jaar, afhankelijk van de wortelontwikkeling. Doe dit in het vroege voorjaar vóór het uitlopen. Snoei de wortels gematigd, veranker de boom goed en bescherm hem na het verpotten enkele weken tegen harde wind, felle middagzon en late vorst.
Ziekten en problemen
Ginkgo is doorgaans zeer resistent tegen insecten en schimmelziekten. Zelden kan honingzwam voorkomen. De meest voorkomende bonsaiproblemen zijn wortelrot door langdurig nat substraat, bladrandschade door droogte of hete wind, vorstschade aan jong blad, te grove groei door overbemesting en blijvende draadlittekens. Slechte wondsluiting na grote snoei is een soortspecifiek aandachtspunt.
