
Spiraea japonica
Dit is een zomerbloeier op nieuwe jaargroei: de hoofdterugsnoei hoort in het voorjaar. Laat daarna voldoende nieuwe scheuten staan voor bloemen.
Oorspronkelijke herkomst
China tot Noord-Myanmar, Taiwan en Centraal- en Zuid-Japan. Korea is bij Kew als geïntroduceerd gebied vermeld, niet als natuurlijk verspreidingsgebied.
Eigenschappen
Japanse spierstruik is een bladverliezende, compacte struik met fijne bladeren en roze tot rozerode bloemschermen in de zomer. Belangrijk voor de verzorging: de bloemen worden gevormd op de nieuwe scheuten van hetzelfde jaar.
Voor- en nadelen als bonsai
Voordelen zijn klein blad, gemakkelijke vertakking, sterke reactie op snoei en zomerbloei. Nadelen zijn een struikachtige groei, veel nieuwe scheuten vanuit de basis en minder uitgesproken boomkarakter dan klassieke houtige bonsaisoorten.
Standplaats als bonsai
Buiten in volle zon tot lichte halfschaduw. Volle zon geeft compacte groei en rijke bloei; zorg in een kleine schaal voor voldoende water tijdens warme dagen.
Groei
Sterke nieuwe scheuten in voorjaar. Bloemen verschijnen later in het seizoen aan de uiteinden van de actuele jaargroei.
Geschikte stijlvormen
Meerstammig/clump, kleine informele struikvorm, hellend, shohin en bloeiende landschapscomposities.
Vormsnoei
De belangrijkste terugknipbeurt kan in het vroege tot middenvoorjaar plaatsvinden. Omdat Spiraea japonica op de nieuwe jaargroei bloeit, kan de oude bloeischeut dan sterk worden teruggenomen.
Onderhoudssnoei
Na de eerste voorjaarsgroei selectief knippen voor vorm, maar laat voldoende nieuwe scheuten doorlopen als zomerbloei gewenst is. Uitgebloeide schermen kunnen worden verwijderd.
Fijnsnoei
Dun zwakke, kruisende en te dicht geplaatste scheuten uit. Knip niet alle nieuwe toppen weg vlak vóór de bloeiperiode.
Bladsnoei / ontbladeren
Volledige ontbladering is niet nodig. Selectief blad verwijderen alleen bij zeer sterke planten.
Wortelsnoei
Vroeg in het voorjaar. De soort is krachtig en verdraagt wortelsnoei redelijk, maar behoud voldoende fijne wortels en combineer niet met extreme bovengrondse ingrepen.
Knopbeheer
Dun overtollige basisscheuten en sterke knoppen uit om een duidelijke structuur te behouden.
Bloei- en vruchtbeheer
Verwijder uitgebloeide bloemschermen om de plant netjes te houden en eventueel nieuwe groei te stimuleren. Zaadvorming is voor bonsai doorgaans niet nodig.
Bedraden
Vorm vooral met snoei. Jonge scheuten zijn wel te bedraden, maar verdikken snel en moeten vaak worden gecontroleerd.
Bemesten
In het voorjaar na snoei normaal bemesten om nieuwe bloeischeuten te ontwikkelen. Tijdens de zomer gematigd doorvoeren; overmatige stikstof geeft lange, slappe scheuten.
Watergifte
Gelijkmatig vochtig houden tijdens actieve groei en bloei. Laat de kluit licht opdrogen tussen gietbeurten, maar niet volledig uitdrogen.
Substraat
Luchtig, vochtvasthoudend en goed drainerend standaard bonsaisubstraat.
Verpotten
Vroeg in het voorjaar vóór sterke uitloop. Jonge planten om de paar jaar; oudere alleen wanneer de wortelkluit verdicht raakt.
Ziekten en problemen
Over het algemeen sterk. RHS noemt echte meeldauw als mogelijke ziekte. Verder kunnen bladluizen, droogtestress en een slechte bloei door te weinig zon of te laat topsnoeien voorkomen.
