Japanse witte den

← Terug naar Bomen
Japanse witte den
Conifeer

Pinus parviflora

Belangrijkste tip

Japanse witte den is een single-flush pine. Nooit volledig decandlen om een tweede groeigolf af te dwingen; kaarsen worden geselecteerd en naar kracht verkort.

Oorspronkelijke herkomst

Japan, Zuid-Korea en de zuidelijke Koerilen.

Eigenschappen

Pinus parviflora is de Japanse witte of vijfnaaldenden. De zachte blauw- tot grijsgroene naalden staan in bundels van vijf. Het is een bergden met één groeigolf per jaar; veel bonsai-exemplaren zijn op Japanse zwarte den geënt.

Voor- en nadelen als bonsai

Een klassieke soort met fijne naalden, mooie oude schors en een elegante uitstraling. Hij reageert traag op fouten; verkeerde decandling, te natte wortels of te veel werk in één seizoen kunnen langdurige schade geven.

Standplaats als bonsai

Het hele jaar buiten in volle zon en met goede luchtcirculatie. Bescherm de wortelkluit bij extreme vorst. Veel licht ondersteunt compacte groei en kortere naalden.

Groei

Single-flush pine: één hoofdgroeigolf per jaar. De kaarsen van het voorjaar moeten daarom worden geselecteerd en verkort, niet volledig verwijderd zoals bij een sterke Japanse zwarte den.

Geschikte stijlvormen

Formeel en informeel rechtop, hellend, literati, winderig, cascade/halfcascade en oude bergboomstijl.

Vormsnoei

Grote takken bij voorkeur in de rustperiode verwijderen. Laat op elke behouden tak voldoende gezonde naalden en actieve knoppen staan.

Onderhoudssnoei

Verwijder overtollige scheuten en oude naalden geleidelijk. Houd licht rond binnenste knoppen en vermijd sterke loofreductie in hetzelfde jaar als zwaar wortelwerk.

Fijnsnoei

Verkort verlengende kaarsen van late lente tot vroege zomer naar verhouding van hun kracht. Verwijder nooit alle kaarsen: de Japanse witte den maakt normaal geen betrouwbare tweede groeigolf.

Bladsnoei / ontbladeren

Geen ontbladering. Dun alleen oude of te dichte naalden uit, vooral in sterke zones, en behoud voldoende naalden voor gezondheid en knopvorming.

Wortelsnoei

Werk terughoudend. Verpot rond het moment dat de knoppen in het voorjaar beginnen te bewegen en behoud fijne wortels en een deel van de mycorrhiza.

Knopbeheer

Laat doorgaans twee goed geplaatste knoppen/scheuten per vertakkingspunt staan en verwijder overtollige sterke knoppen. Behandel sterke en zwakke zones verschillend.

Bloei- en vruchtbeheer

Kegels zijn geen hoofddoel. Verwijder ze bij jonge of verzwakte bomen om energie te sparen.

Bedraden

Bedraad van vroege herfst tot vroege lente of na het verkorten van de kaarsen. Bescherm oude bast en zet zware takken in fasen.

Bemesten

Gezonde bomen van vroege lente tot late herfst matig bemesten. Bij verfijning de voorjaarsgift beheerst houden om naalden niet onnodig lang te maken. Na verpotten pas bemesten wanneer herstel duidelijk is.

Watergifte

Laat de bovenlaag licht opdrogen voordat opnieuw grondig wordt gegoten. Vermijd permanent nat substraat en zorg voor zeer goede drainage.

Substraat

Zeer luchtig en drainerend, bijvoorbeeld akadama met puimsteen, lava en/of kiryu. Houd voldoende porositeit voor zuurstof en mycorrhiza.

Verpotten

Bij voorkeur in het voorjaar zodra de knoppen beginnen te bewegen; ervaren kwekers kunnen ook laat zomer/vroege herfst gebruiken. Oude exemplaren alleen verpotten wanneer de wortelkluit dit vereist.

Ziekten en problemen

Kan last krijgen van bladluizen, spint, schildluis, rupsen, schimmels en wortelrot. Gele of bruine naalden kunnen ook wijzen op te nat substraat, wortelstress of normale afstoting van oudere naalden.