Japanse witte den

← Terug naar Bomen
Japanse witte den
B030 · Conifeer

Pinus parviflora

Belangrijkste tip

Stem kaars-, knop- en naaldbeheer af op de exacte dennensoort. Behoud voldoende gezonde naalden en mycorrhiza bij iedere grote ingreep.

Oorspronkelijke herkomst

Japan.

Eigenschappen

De Japanse witte den is een zeer geliefde bonsaisoort. De Latijnse naam is Pinus parviflora. In Japan wordt hij vaak Goyōmatsu genoemd.

Voor- en nadelen als bonsai

Voordelen zijn de karaktervolle groei, het jaarronde of seizoensgebonden silhouet en de goede vormbaarheid met bedrading. Nadelen zijn de trage reactie op zware ingrepen en de noodzaak om soortspecifiek met knoppen, kaarsen en wortels om te gaan.

Standplaats als bonsai

Zet deze bonsai het hele jaar buiten in volle zon tot lichte halfschaduw, met goede luchtcirculatie. Bescherm de schaal tegen langdurige strenge vorst en voorkom dat het substraat lange tijd doorweekt blijft.

Groei

Groei is meestal trager en seizoensgebonden. Werk geleidelijk; coniferen reageren slecht op te veel ingrepen tegelijk.

Geschikte stijlvormen

Geschikte stijlvormen zijn formeel rechtop, informeel rechtop, hellend, literati, winderig, groep/forest en bij geschikte soorten cascade of deadwood-stijl.

Vormsnoei

Voer zware vormsnoei en het verwijderen van grote takken bij voorkeur in de late herfst of winter uit. Laat voldoende gezonde naalden en knoppen op iedere behouden tak staan.

Onderhoudssnoei

Verwijder overtollige scheuten en oude naalden volgens de groeicyclus van de betreffende dennensoort. Werk niet ieder jaar even zwaar.

Fijnsnoei

Stuur de kaarsen en knoppen soortspecifiek. Knijp of verkort sterke kaarsen alleen op het juiste moment en spaar zwakke zones.

Bladsnoei / ontbladeren

Pas geen ontbladering toe. Verwijder alleen oude naalden en te dichte naaldmassa wanneer de boom sterk en gezond is.

Wortelsnoei

Voer een voorzichtige wortelsnoei vroeg in het voorjaar uit, vlak voordat de knoppen actief worden. Behoud altijd voldoende fijne wortels en mycorrhiza.

Knopbeheer

Dun overtollige knoppen uit en laat per groeipunt een evenwichtige verdeling over. Behandel sterke en zwakke zones verschillend.

Bloei- en vruchtbeheer

Kegels zijn voor bonsai meestal van ondergeschikt belang. Verwijder ze wanneer zij een jonge of verzwakte boom onnodig belasten.

Bedraden

Bedraad bij voorkeur van de herfst tot het vroege voorjaar. Bescherm de bast, zet zware takken geleidelijk en controleer de draad tijdens de groeiperiode.

Bemesten

Bemest van het voorjaar tot de vroege herfst regelmatig en matig. Gebruik in de opbouwfase meer voeding dan in de verfijningsfase. Vermijd een sterke stikstofgift laat in het seizoen en bemest niet direct na wortelsnoei.

Watergifte

Geef grondig water zodra de bovenste laag van het substraat licht is opgedroogd. Laat de wortelkluit niet volledig uitdrogen, maar voorkom dat zij voortdurend nat blijft. Pas de watergift aan temperatuur, wind, blad- of naaldmassa en schaalgrootte aan.

Substraat

Gebruik een luchtig, korrelig en goed drainerend substraat, bijvoorbeeld akadama met puimsteen, lava of kiryu. Het mengsel moet voldoende vocht vasthouden zonder langdurig zuurstofarm te worden.

Verpotten

Verpot in het vroege voorjaar, vlak voordat de knoppen openen of de groei duidelijk hervat. Jonge, snelgroeiende bomen worden vaker verpot dan oude, verfijnde bonsai. Kort de wortels geleidelijk in en verpot alleen wanneer de wortelkluit of het substraat daar aanleiding toe geeft.

Ziekten en problemen

Mogelijke problemen zijn wortelrot, spint, schimmelaantastingen en verkleuring door droogte, zoutschade of een te nat substraat. Verwijder nooit grote hoeveelheden wortels en loof in dezelfde herstelperiode.