
Pinus nigra subsp. nigra
Niet verwarren met Japanse zwarte den. Oostenrijkse den veilig als single-flush behandelen: kaarsen verkorten en energie balanceren, maar geen volledige decandling om een tweede groeiflush te forceren.
Oorspronkelijke herkomst
Oost-Oostenrijk tot het Balkanschiereiland, waaronder Albanië, Bulgarije, Griekenland en Roemenië.
Eigenschappen
Oostenrijkse den is een krachtige twee-naaldige zwarte den met stijve donkergroene naalden en op leeftijd diep gegroefde bast. Hij is sterk, zonminnend en droogtetolerant zodra hij goed geworteld is.
Voor- en nadelen als bonsai
Sterke stam- en bastontwikkeling en goede geschiktheid voor robuuste dennenstijlen. De naalden zijn relatief lang en stijf en de soort vraagt echte dennenkennis. Behandel hem veilig als single-flush pine: geen volledige zomer-decandling zoals bij Japanse zwarte den.
Standplaats als bonsai
Het hele jaar buiten in volle zon met veel lucht. Zeer winterhard, maar bescherm de wortelkluit tegen extreme langdurige vorst en langdurig kletsnat winterweer.
Groei
Eén hoofdgroeiflush per voorjaar. Kracht verschilt sterk tussen top, buitenste takken en zwakke binnenzones; energiebalans gebeurt met kaars- en naaldbeheer.
Geschikte stijlvormen
Formeel en informeel rechtop, hellend, literati, winderig, cascade/halfcascade en oude bergdenstijl.
Vormsnoei
Grote takken liefst late zomer tot winter wanneer de voorjaarsgroei is afgerond. Laat voldoende gezonde naalden en knoppen op iedere behouden tak.
Onderhoudssnoei
Selecteer in voorjaar of na uitharding overtollige kaarsen tot meestal twee bruikbare scheuten per punt. Verwijder in najaar overtollige oude naalden in sterke zones.
Fijnsnoei
Single-flush: verkort sterke elongerende kaarsen in late lente/vroege zomer, maar laat nieuwe naalden en groeipunten staan. Verwijder de volledige kaars niet om kunstmatig een tweede flush af te dwingen.
Bladsnoei / ontbladeren
Geen ontbladering. Naaldselectie alleen op een sterke boom; niet alle oude naalden verwijderen en zwakke zones ontzien.
Wortelsnoei
Voorjaar zodra knoppen beginnen te bewegen, of eventueel late zomer in geschikt klimaat. Behoud fijne wortels en mycorrhiza; geen volledige bare-rootbehandeling.
Knopbeheer
Selecteer sterke knoppen zodat per eindpunt geen onnodige krans ontstaat. Behoud zwakkere knoppen in binnenzones voor compacte ramificatie.
Bloei- en vruchtbeheer
Kegels zijn secundair. Verwijder ze bij jonge, verzwakte of recent verpotte bomen.
Bedraden
Late zomer tot vroege voorjaar is geschikt voor grote vorming. Oudere takken geleidelijk buigen en draad/rraffia gebruiken waar nodig.
Bemesten
Jonge ontwikkelingsbomen van voorjaar tot herfst voeden. Bij verfijnde single-flush dennen kan voorjaarsvoeding worden gematigd en sterker na het afharden worden gevoed om naaldlengte te beheersen.
Watergifte
Grondig water geven en daarna het oppervlak licht laten opdrogen. Geen permanent natte wortels. Volle zon en wind kunnen in een kleine schaal wel dagelijkse controle vereisen.
Substraat
Zeer luchtig en drainerend, bijvoorbeeld akadama met puimsteen/lava/kiryu. Behoud een gezond mycorrhizaal wortelmilieu.
Verpotten
Voorjaar bij zwellende knoppen; oudere bomen alleen wanneer drainage of worteldichtheid dat vraagt. Verwijder niet alle oude grond tegelijk.
Ziekten en problemen
Naaldschot/needle cast, tip blight, adelgiden, bladluizen en dennenzaagwespen kunnen voorkomen. Langdurig nat substraat verhoogt wortelproblemen.
