
Dasiphora fruticosa
Deze soort stond vroeger vaak als Potentilla fruticosa vermeld. Gebruik voor de database Dasiphora fruticosa als geaccepteerde naam, met Potentilla fruticosa als synoniem. Veel zon en gematigde voeding geven de beste compacte groei en bloei.
Oorspronkelijke herkomst
Gematigde en koude delen van het noordelijk halfrond in Europa, Azië en Noord-Amerika. De soort heeft een zeer groot natuurlijk verspreidingsgebied.
Eigenschappen
De struikganzerik is een compacte bladverliezende struik uit de rozenfamilie met kleine samengestelde bladeren en een lange bloeiperiode, meestal van late lente tot in de nazomer. De geaccepteerde botanische naam is Dasiphora fruticosa; Potentilla fruticosa is een veelgebruikt botanisch synoniem.
Voor- en nadelen als bonsai
Pluspunten: kleine bladeren, fijne takken, lange bloei, goede winterhardheid en sterke reactie op snoei. Aandachtspunten: jonge groei kan snel ijl worden, oude twijgen kunnen bros zijn en te zware voeding geeft veel blad ten koste van bloei.
Standplaats als bonsai
Buiten in volle zon voor compacte groei en rijke bloei. In zeer hete perioden kan lichte middagschaduw bij kleine schalen uitdroging beperken. Goede luchtcirculatie vermindert schimmelproblemen.
Groei
Compacte maar regelmatige struikgroei. Nieuwe scheuten kunnen gedurende het groeiseizoen meerdere keren worden teruggenomen; voldoende zon houdt de internodiën kort en stimuleert bloei.
Geschikte stijlvormen
Informeel rechtop, meerstammig/clump, hellend, kleine landschapsvormen en natuurlijke struikvormen. Door het kleine blad ook geschikt voor shohin.
Vormsnoei
De beste hoofdvormsnoei is in het vroege voorjaar voordat de nieuwe groei begint. Verwijder dood, zwak en kruisend hout en bouw de kroon geleidelijk op.
Onderhoudssnoei
Knip lange nieuwe scheuten gedurende het groeiseizoen terug om de kroon compact te houden. Houd voldoende jonge groei over voor de langdurige bloei.
Fijnsnoei
Pinch of knip zachte uitlopers terug zodra de gewenste lengte is bereikt. Dun dicht groeiende binnenste twijgen uit voor licht en lucht.
Bladsnoei / ontbladeren
Volledige ontbladering is niet nodig. Gebruik selectieve blad- of scheutverwijdering om licht in de kroon te brengen en de boom niet onnodig te verzwakken.
Wortelsnoei
Voer wortelsnoei in het vroege voorjaar uit vóór de nieuwe groei. Verwijder lange en beschadigde wortels geleidelijk en behoud een compacte, fijne wortelkluit.
Knopbeheer
Behoud gelijkmatig verdeelde jonge scheuten en verwijder ongewenste knoppen die naar binnen groeien of verdikkingen veroorzaken. Bloei ontstaat op jonge groei, dus snoei niet alle nieuwe scheuten tegelijk weg.
Bloei- en vruchtbeheer
Bloei is een hoofdwaarde van deze bonsai. Houd de boom zonnig en vermijd overmatige stikstof. Uitgebloeide bloemen kunnen worden verwijderd voor een nette presentatie en om energie naar nieuwe groei te sturen.
Bedraden
Bedraad vooral jonge, soepele takken en controleer regelmatig. Oudere twijgen kunnen bros zijn; clip-and-grow is vaak veiliger dan sterke buigingen.
Bemesten
Bemest gematigd van voorjaar tot vroege herfst met een uitgebalanceerde meststof. Overbemesting, vooral met veel stikstof, stimuleert lange bladgroei ten koste van bloemen.
Watergifte
Houd het substraat gelijkmatig vochtig maar nooit drassig. Laat de kluit tussen gietbeurten licht opdrogen, maar niet volledig uitdrogen. In de winter minder water geven tijdens rust.
Substraat
Goed drainerend standaard bonsaisubstraat met voldoende vochtbuffer, bijvoorbeeld akadama, puimsteen en lava. Vermijd een verdichte, langdurig natte kluit.
Verpotten
Ongeveer iedere twee tot drie jaar in het vroege voorjaar vóór de nieuwe groei. Oudere, stabiele bomen alleen verpotten wanneer worteldichtheid of drainage dat nodig maakt.
Ziekten en problemen
Over het algemeen sterk. Mogelijk zijn bladluizen, spint en schildluis; bij vochtige, slecht geventileerde omstandigheden kunnen echte meeldauw en roest optreden. Slechte drainage kan wortelrot veroorzaken.
