Virginische jeneverbes

← Terug naar Bomen
Virginische jeneverbes
Conifeer

Juniperus virginiana

Belangrijkste tip

Volle zon en lucht geven fijnere, gezondere groei. Let vooral op ceder-appelroest en laat bij iedere snoei groen loof op de behouden tak staan.

Oorspronkelijke herkomst

Zuidoost-Canada via het centrale en oostelijke deel van de Verenigde Staten tot Coahuila in Noord-Mexico.

Eigenschappen

De Virginische jeneverbes, ook eastern red cedar genoemd, is een groenblijvende boom met jonge naaldvormige en volwassen schubvormige bladeren, aromatisch hout en afschilferende bruine bast. De soort is meestal tweehuizig en kan blauwachtige besachtige kegels vormen.

Voor- en nadelen als bonsai

Sterk, winterhard en goed te bedraden, met geschikt materiaal voor jin en shari. Het loof kan grover zijn dan bij shimpaku en zware snoei kan tijdelijk juveniel naaldloof uitlokken. Volledig kale takdelen lopen niet betrouwbaar opnieuw uit.

Standplaats als bonsai

Het hele jaar buiten in volle zon met goede luchtcirculatie. Zeer winterhard; bescherm vooral de kleine wortelkluit bij langdurige extreme vorst. Niet als kamerbonsai houden.

Groei

Kan krachtig groeien wanneer hij veel zon krijgt. Loofpunten moeten licht ontvangen; dichtgesloten kussens verzwakken van binnenuit en kunnen bruin worden.

Geschikte stijlvormen

Informeel rechtop, hellend, literati, winderig, cascade/halfcascade en deadwoodstijlen.

Vormsnoei

Structureel snoeien in vroege lente of late herfst. Laat op elke behouden tak groen loof staan en verwijder niet in één keer een groot deel van de kroon.

Onderhoudssnoei

Lange scheuten selectief terugknippen naar gezonde zijgroei. Geen hegmodel scheren. Dichte loofkussens aan de basis uitdunnen om lucht en licht binnen te brengen.

Fijnsnoei

Sterke buitenste groeipunten uitdunnen en zwakke binnenste groei sparen. Massaal uitknijpen van alle uiteinden verzwakt de boom.

Bladsnoei / ontbladeren

Geen ontbladering. Alleen oud, bruin of ongewenst loof selectief verwijderen.

Wortelsnoei

In het vroege voorjaar gematigd wortelsnoeien; veel fijne wortels behouden en niet combineren met zware bovengrondse styling.

Knopbeheer

Werk met groeipunten en loofdichtheid. Sterke zones uitdunnen en binnenste groeipunten voldoende licht geven.

Bloei- en vruchtbeheer

Vrouwelijke planten kunnen bij bestuiving blauwachtige kegels vormen. Behoud ze voor sierwaarde op een sterke boom; verwijder een zware vruchtzetting bij herstel of ontwikkeling.

Bedraden

Goed vormbaar. Bescherm oude bast en levende vaatbanen bij zware buigingen; dood hout kan plots breken. Draad regelmatig controleren.

Bemesten

Van voorjaar tot vroege herfst regelmatig en matig bemesten. Jonge ontwikkelingsbomen mogen sterker worden gevoed dan verfijnde exemplaren.

Watergifte

Grondig water geven nadat de bovenlaag licht is opgedroogd. De soort verdraagt enige droogte maar een bonsaischaal mag nooit volledig uitdrogen; permanent natte wortels vermijden.

Substraat

Luchtig en goed drainerend, bijvoorbeeld akadama, puimsteen en lava/kiryu.

Verpotten

Vroege voorjaar; jonge bomen ongeveer om de twee jaar, oudere bomen minder vaak. Wortels niet agressief reduceren.

Ziekten en problemen

Belangrijk is ceder-appelroest (Gymnosporangium), waarvoor Juniperus virginiana een bekende waardplant is; gallen kunnen oranje sporenhoorns vormen. Verder kunnen spint, schildluis, bladluizen, Phytophthora en kanker voorkomen.