Wijnstok

← Terug naar Bomen
Wijnstok
B070 · Bloei/vrucht

Vitis vinifera

Belangrijkste tip

Stem snoei en bemesting af op de bloeicyclus. Beperk de vruchtbelasting bij jonge, kleine of verzwakte bomen.

Oorspronkelijke herkomst

Middellandse Zeegebied, Kaukasus en West-Azië.

Eigenschappen

Een wijnstok is eigenlijk de plant waar druiven aan groeien: Vitis vinifera. Het is een sterke, houtige klimplant die heel oud kan worden en goed reageert op snoei. Daarom is hij ook interessant als bonsai of als decoratieve leiplant.

Voor- en nadelen als bonsai

Voordelen zijn de bloemen, vruchten en duidelijke seizoensbeleving. Nadelen zijn dat snoei, bemesting en vruchtbelasting zorgvuldig op de bloeicyclus moeten worden afgestemd.

Standplaats als bonsai

Zet deze bonsai buiten op een lichte plaats in de zon tot halfschaduw. Zorg voor voldoende luchtcirculatie en bescherm de schaal tegen extreme hitte, uitdroging en langdurige strenge vorst.

Groei

Sterke, lange scheutgroei. Voor bonsai moet je eerst stam en hoofdlijnen opbouwen en daarna consequent verkorten.

Geschikte stijlvormen

Geschikte stijlvormen zijn oude stam, literati, cascade/halfcascade, slingerende informele vorm; druiventrossen alleen spaarzaam tonen.

Vormsnoei

Voer de vormsnoei na de bloei of in de zomer uit, wanneer wonden goed kunnen herstellen. Vermijd zware snoei tijdens langdurig koud en nat weer.

Onderhoudssnoei

Knip te lange scheuten na de bloei terug en dun kruisende of naar binnen groeiende takken uit. Spaar voldoende kort vruchthout voor de volgende bloei.

Fijnsnoei

Knip nieuwe scheuten terug nadat zij zijn afgehard. Houd rekening met de plaats van bloemknoppen en vruchthout.

Bladsnoei / ontbladeren

Pas volledige ontbladering niet standaard toe. Gebruik hoogstens gedeeltelijke bladsnoei bij een sterke, gezonde boom en niet in een jaar met zware bloei of vruchtzetting.

Wortelsnoei

Voer wortelsnoei vroeg in het voorjaar uit, vlak voordat de groei hervat. Werk terughoudend bij oude of verzwakte bomen.

Knopbeheer

Dun te sterke groeiknoppen uit en behoud voldoende bloemknoppen en kort vruchthout. Verdeel de groeikracht over de kroon.

Bloei- en vruchtbeheer

Dun bloemen en vruchten bij kleine of jonge bonsai uit om uitputting en takbreuk te voorkomen. Verwijder verdroogde bloemen en aangetaste vruchten.

Bedraden

Bedraad jonge takken na de bloei of nadat de nieuwe groei is afgehard. Bescherm de bast en voorkom schade aan bloemknoppen en vruchthout.

Bemesten

Bemest in het voorjaar en na de bloei evenwichtig, zonder een overmaat aan stikstof. Bouw in de nazomer af en stem de voeding af op bloemknopvorming en vruchtbelasting. Bemest niet direct na het verpotten of wanneer de boom verzwakt is.

Watergifte

Geef grondig water zodra de bovenste laag van het substraat licht begint op te drogen. Laat overtollig water uit de schaal lopen en voorkom dat de wortelkluit volledig uitdroogt. Werk niet met een vast schema, maar controleer de boom dagelijks.

Substraat

Gebruik een luchtig en stabiel bonsaisubstraat dat water vasthoudt en tegelijk goed afwatert. Een mengsel van akadama, puimsteen en lava is een bruikbaar uitgangspunt; pas de verhouding aan de soort, schaal en standplaats aan.

Verpotten

Verpot in het vroege voorjaar, vlak voordat de knoppen openen of de groei duidelijk hervat. Jonge, snelgroeiende bomen worden vaker verpot dan oude, verfijnde bonsai. Kort de wortels geleidelijk in en verpot alleen wanneer de wortelkluit of het substraat daar aanleiding toe geeft.

Ziekten en problemen

Mogelijke problemen zijn bladluis, spint, meeldauw, wortelrot, droogtestress en een geringe bloei door te weinig licht of verkeerd getimede snoei. Bij vruchtdragende soorten kunnen ook schurft, kanker of vruchtrot voorkomen.