
Alnus incana
Witte els is een vochtminnende, snelgroeiende soort: veel water, veel licht en regelmatig snoeien. Grote snoei na bladval tot midden winter; niet behandelen als een droogteminnende loofboom.
Oorspronkelijke herkomst
Europa tot West-Siberië en Turkije; de soort komt daarnaast van nature voor in Noord-Amerika.
Eigenschappen
Witte els is een snelgroeiende bladverliezende boom uit de berkenfamilie, met grijsgroene bladeren die aan de onderzijde lichter zijn. Mannelijke en vrouwelijke katjes verschijnen vóór of rond het uitlopen; de vrouwelijke bloei vormt later kleine houtige elzenproppen. Elzen leven in symbiose met stikstofbindende Frankia-bacteriën aan de wortels.
Voor- en nadelen als bonsai
Voordelen zijn snelle groei, een natuurlijke rivier-/oeveruitstraling, goede snoeireactie en karaktervolle katjes en vruchtproppen. Nadelen zijn relatief groot blad, snelle grove scheuten en hoge waterbehoefte in een kleine schaal.
Standplaats als bonsai
Buiten, bij voorkeur zonnig. Witte els verdraagt natte en zelfs slecht gedraineerde bodems goed en is zeer winterhard. Bescherm de bonsaischaal vooral tegen uitdroging; bij extreme vorst is beschutting van de wortelkluit verstandig.
Groei
Krachtig en snel, vooral in voorjaar en vroege zomer. De soort kan ook op arme grond sterk groeien dankzij stikstofbinding, waardoor bemesting niet zwaar hoeft te zijn.
Geschikte stijlvormen
Informeel rechtop, bezemvorm, meerstammig, bos/groep en natuurlijke oeverboomstijl. Middelgrote en grotere bonsai passen goed bij het blad en de snelle groei.
Vormsnoei
Voer grotere snoei na bladval tot uiterlijk midden winter uit. Dat beperkt sapbloeden en geeft tijd om de structuur te beoordelen zonder blad.
Onderhoudssnoei
Knip lange scheuten in het groeiseizoen regelmatig terug nadat zij zijn afgehard. Laat zwakke binnenvertakking langer doorgroeien.
Fijnsnoei
Selecteer jonge twijgen op richting en knip terug voor compactere internodiën. Verwijder ongewenste sterke topscheuten vroeg om de onderste kroon vitaal te houden.
Bladsnoei / ontbladeren
Volledige ontbladering niet als routine toepassen. Bij zeer sterke bomen kan selectieve bladverwijdering licht in de kroon brengen.
Wortelsnoei
In het vroege voorjaar vóór het uitlopen. Behoud voldoende fijne wortels en vermijd onnodig volledig verwijderen van de knolletjes/nodules die bij de stikstofbindende wortelsymbiose horen.
Knopbeheer
Dun dicht opeenstaande knoppen uit, vooral aan de top, en spaar knoppen op zwakke takken voor een gelijkmatige energiebalans.
Bloei- en vruchtbeheer
Katjes en elzenproppen kunnen als sierwaarde blijven zitten zolang de boom sterk is. Bij kleine of zwakke bomen een overmaat verwijderen.
Bedraden
Bedraad jonge takken na het afharden of in de bladloze periode. Controleer snel insnoeren vanwege de krachtige diktegroei.
Bemesten
Matig tot normaal bemesten in het groeiseizoen. Overbemesting is niet nodig; elzen kunnen stikstof uit de lucht via wortelsymbiose benutten. Stop of verminder bij stress en direct na verpotten.
Watergifte
Laat de kluit niet uitdrogen. Witte els verdraagt veel vocht en kan in de zomer ruim worden gegoten; langdurig zeer droge omstandigheden passen slecht bij een bonsaischaal met deze soort.
Substraat
Luchtig maar duidelijk vochtvasthoudend. Een mix van akadama en puimsteen/lava met iets meer vochtvasthoudend vermogen dan bij droogteminnende soorten is geschikt.
Verpotten
Vroeg in het voorjaar vóór het uitlopen. Jonge krachtige bomen kunnen om de één à twee jaar verpot worden; oudere bomen op basis van wortelvulling en drainage.
Ziekten en problemen
Mogelijke plagen zijn elzenhaantje, elzenbladvlo en bladmineerders. Ook Phytophthora en honingzwam kunnen voorkomen. In bonsaiteelt is uitdroging vaak een groter praktisch risico dan tijdelijk nat substraat.
